‘Vrijwel dagelijks reed ik de laatste tijd langs je nieuwe huis. Enkele weken geleden spraken we elkaar nog kort. Ik was een tijd weggeweest en jij was ongemerkt weer een jaar ouder geworden. Ik vertelde je over mijn verdriet en jij over dat van jou. Het gesprek was kort als altijd, maar ik vond het fijn. Ik hoop jij ook.

Enkele dagen later hoorde ik dat het niet goed met je ging. Je was het gevecht aan het verliezen. Diep van binnen hoopte ik altijd dat jij de eerste zou zijn die nu eindelijk eens een keer zou winnen, maar ook jij bleek gewoon een mens. Inmiddels heb je ons verlaten en laat je een grote leegte achter.

‘Hockeyend Nederland trilde toen jij de eerste internationale vedette binnenhaalde’

Jij was het die hockeyend Nederland in 1995 op zijn grondvesten deed schudden met de komst van de eerste internationale vedette. Carsten Fischer kwam voor enkele maanden over uit Duitsland en kleurde de krantenkoppen. Kort daarop volgde de Pakistaanse stick-tovenaar Shahbaz, waarmee het nietige provincieclubje uit Eindhoven ineens volop in de schijnwerpers stond.
Ik bewonderde je tomeloze energie. ’s Ochtend vroeg naar de zaak, pensioengerechtigd of niet. Tussen de bedrijven door de telefoon vrijwel continue trillend in de zak of aan je oor. Van een tekort aan pionnen bij de jeugdtrainingen tot duizelingwekkende textiel-deals in Pakistan. Alles ging in een sneltreinvaart moeiteloos achter elkaar door. En in het weekend naar de club die je, dankzij je kinderen, in je hart gesloten had. Het werd al snel jouw club. Oranje Zwart.

Jan, Joop en Jons, de drie musketiers die vele heilige huizen pardoes omver schopten

Je moest en zou je club naar de top brengen. En zoals alles wat je deed, ging dat met ongeëvenaarde overgave. In een tijdperk met Jan Hagendijk en Jons Hensel, stuwden jullie in de jaren ’90 de Hoofdklasse naar ongekende hoogte. Jan, Joop en Jons, de drie musketiers die vele heilige huizen pardoes omver schopten.

In 2005 kwam de grote bekroning op jouw werk. De titel. Eindelijk. Wij hesen je op het veld op de schouders. Volgens mij vond je het mooi, maar ik heb het je nooit durven vragen. Toen je op de grond kwam, keek je me aan. Ik zag dat je ontroerd was. Je gaf me een kus op de wang en sprak wederom kort in mijn oor. “En nu volgend jaar die Europacup…”

‘We wonnen de Europa Cup. Weer kreeg jij je zin’

Ik stond perplex, maar zag dat je het meende. Het was nooit genoeg. Het kon altijd beter. Het eerste doel was bereikt, op naar het volgende. Je zou niet rusten voor het zover was. En wij dus ook niet. En weer kreeg je je zin.
Nu ben je er niet meer. Een plein, lintje of ere-voorzitterschap kunnen we je niet meer geven, die heb je al. Een groot dankjewel en een diepe buiging nog wel. Dank je wel Joop, goede reis en… Doei, doei, doei, doei, doei, doei, doei.’

Bron: Hockey.nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *